34 Verdwenen Arabische dorpen in Israël, de Nakba

De Israëlische onafhankelijkheidsoorlog van 1947/48 wordt door de Arabische bevolking ervaren als een catastrofe, de Nakba. Ongeveer 500 Arabische dorpen werden toen verwoest en hun inwoners werden verdreven.

De vertegenwoordigers van de Joodse gemeenschap stemden in met het VN verdelingsplan voor Palestina. Dit was vooral een politiek correcte positie. Veel Joden, en politieke leiders, waren het er niet mee eens dat in hun staat Palestijnen zouden wonen, hun wens was: ‘zo veel mogelijk land met zo weinig mogelijk Palestijnse Arabieren’.

Wij waren een paar dagen in het noorden van Israël en probeerden er meer over te weten te komen.

 

Haifa:  In 1947/48 werden zo’n zestig duizend Palestijnse Arabieren verdreven, inclusief de inwoners van Wadi Salib. Huizen, grond en inventaris werden geconfisqueerd. Naderhand werden delen van de wijk bevolkt door Joodse immigranten uit Marokko. Veel van de oude huizen bleven onbewoond en zijn vervallen.

De gemeente wil dit gebied omvormen tot een’ bruisend centrum’. De vroegere Arabische bewoners komen in de plannen niet voor. Zelfs de herinnering aan de vroegere grote Arabische gemeenschap moet verdwijnen.

Haifa

Saffuriya:  De inwoners van Saffuriya hadden een belangrijke rol vervuld in de Arabische opstand tegen de Britten (1936-1939). De inwoners vormden een bedreiging en dit was voor het Israëlische leger reden om Saffuriya in 1948 te vernietigen en de 5000 inwoners te verdrijven. Het Jewish National Fund plantte er een dennenbos om de overblijfselen van het dorp te verbergen. De inwoners gingen naar de rechter en eisten naar hun land terug te mogen. De hoogste rechter ging niet akkoord. Hij was het eens met het regeringsstandpunt dat het gebied nu verboden militair gebied is. Ondanks deze militaire bestemming konden Joodse immigranten uit Roemenië en Bulgarije er een landbouw coöperatie vestigen.

Saffuriya

Malul:  Malul met 800 inwoners was een overwegend Christelijk dorp. Het gebied is nu overdekt  met een dennenbos, aangelegd door het Jewish National Fund. Op het land van het dorp is een militaire basis. Twee kerken, een moskee, ruïnes van huizen en een begraafplaats zijn nog over. Tot voor kort werden de kerken door de kibboets als koeien stal gebruikt. De oorspronkelijke bewoners leven als interne vluchtelingen, vooral in Nazareth.

kerk Malul voor de verwoesting van het dorp

Lubia:  Voor het Israëlische leger was Lubia van strategisch belang, op een kruispunt in de verbindingsweg van Nazareth naar Tiberias. De bevolking (2500) bestond hoofdzakelijk uit moslims, zij werden in 1948 naar Libanon verdreven. Een begraafplaats is er nog te vinden. Vroegere bewoners vertelden dat er in hun tijd volop fruitbomen groeiden. Maar die zijn allemaal omgekapt en het Jewish National Fund plantte er een dennenbos.

begraafplaats Lubia

Hittin:  De historische moskee is alles wat nog over is van Hittin. Alle 1200 inwoners werden in 1948 naar Libanon verdreven en de bijna 300 huizen werden verwoest. De moskee is in de 12e eeuw gebouwd in opdracht van Saladin, de moslim krijgsheer die de kruisvaarders versloeg. Vanwege deze achtergrond was het dorp, in de ogen van de Israëli’s, verdacht. Want de inwoners weten zich vast geïnspireerd door deze historische overwinning. De plek van de moskee is met een hek afgesloten, niemand hoort er te komen. Toen wij wegreden kwam de politie poolshoogte nemen, kennelijk door bewoners van de nabijgelegen kibboets gewaarschuwd dat er vreemde lui bij de moskee waren.

moskee Hittin

kerk in Birem

 

 

Kafar Birem: Maronitische christenen waren de belangrijkste inwoners van Kafar Birem, vlak bij de grens met Libanon. Eind 1948 gaven de ruim 800 inwoners zich over aan de oprukkende Israëlische troepen. Alle inwoners kregen een Israëlisch identiteitsbewijs. Bewoners werden gevraagd tijdelijk te vertrekken zodat het leger

boogconstructiede regio kon zuiveren. Maar de twee weken werden maanden en de maanden werden jaren.De inwoners gingen naar de rechter en de hoogste rechter oordeelde dat de overheid haar belofte moet inlossen en dat de mensen terug mogen. Het leger was het daar niet mee eens en bombardeerde het dorp en verwoestte veel van de huizen. Tussenkomst van de paus heeft geen gewicht in de schaal gelegd en tot vandaag is het niemand toegestaan terug te gaan. (Een Israëlisch identiteitsbewijs is dus geen enkele garantie).

Op de grond van het dorp is nu een nationaal park en dat betekent dat mensen hun vroegere dorp wel kunnen bezoeken. Het is een grote ruïne, maar de kerk staat er recht overeind. Kerkdiensten worden georganiseerd en de begraafplaats wordt onderhouden en gebruikt.

Ten slotte:  Het Israëlische overheidsbeleid is er altijd op gericht geweest de Arabische dorpen en hun inwoners ‘van de kaart te vegen’. Het is de vraag of dat zal lukken. Steeds meer oorspronkelijke bewoners en ook groepen binnen de Joodse samenleving organiseren zich en geven voorlichting over de Nakba aan het publiek en op scholen.

De reactie van de overheid bleef niet uit. Schoolboeken met het verhaal van de Nakba werden verboden. In 2011 werd de Nakba wet door het parlement aangenomen. Scholen, bibliotheken en instituties die overheidssteun ontvangen en die op wat voor manier dan ook aandacht aan de Nakba geven verliezen hun subsidie!

 

Met dank aan onze gidsen: Rawan, Osama, Toomy en Jonathan.

 

Jeruzalem, februari 2013.


 

 
asd